Verslag Kunstcafé “Mijn oogst”

Op vrijdag 11 oktober 2013 vanaf 19:30 uur vindt de eerste aflevering van het evenement “Kunstcafé” plaats bij wijkhuis Het BrandtWeer in Koog aan de Zaan, met als presentator de Zaanse stadsdichter Kees-Jan Sierhuis. Er treden enkele lokale dichters op, afgewisseld met muziek van een singer-songwriter en Fruitcompagnie uit Alkmaar, die een crossover brengt tussen liedwerk en poëzie. Voor en na het programma worden landschapsstemmingsbeelden – fotowerk van Maryse van Leeuwen – geprojecteerd op de achterwand van de zaal. Zaankanter Rob Vos, bekend als organisator van het Fluxus-poëziefestival en sinds lang actief, bijt het spits af. Vos brengt gedichten waaruit een poëtische levenshouding blijkt, met gevoel voor drama en intimiteit, gelardeerd met de nodige ontspannende humor. Kroeg, uitgaansleven, geldzorgen, liefde, het andere geslacht en de zin van het leven zijn thema’s die Rob Vos op charmante wijze benadert. Het select publiek toont zich geamuseerd, ieder kan wel enige herkenning vinden in de gedachtensprongen en omzwervingen van de dichter.

Hierna treedt een singer-songwriter op die na een wat krampachtige start zijn gitaarspel en zang voldoende kracht en overtuiging weet mee te geven om de levensblues eigen aan het genre, naar het gehoor toe te brengen. Dan is het woord aan Thijs de Lange – het jongste lid van de Zaanse dichterskring – deze brengt heldere poëzie met nauwgezette observatie van alledaagse zaken – zoals de belevenissen van een treinforens – waarbij hij de absurditeit die er soms achter schuilt aannemelijk weet te maken. Hij onderscheidt zich door zijn aanstekelijk enthousiasme bij de voordracht en zijn onbevangen, spontane houding naar het publiek. De jonge dichter strooit tevens met eigen zegswijzen die vaak gekruid zijn met enige ironie. Nergens is grofheid te bespeuren, de voordracht blijft geestrijk en amusant. Vervolgens treedt Trudy Boom op met eigen poëzie. Ze vertelt ter introductie van zichzelf eerder artikelen en interviews voor een tijdschrift te hebben geschreven, de emigratie van een dochter naar de Verenigde Staten vormde de aanleiding tot het schrijven van poëzie. Trudy toont zich verbonden met het agrarisch landschap rond de Zaan – schetst de wereld van opoe en opa – met als markant gegeven het gerief aan de slootkant. Een zeemanslied met accordeonbegeleiding wordt dapper ingezet maar komt niet tot ontwikkeling omdat de melodie niet geheel kan worden gereproduceerd. “Gestrand in het zicht van de haven” is de gevatte opmerking van presentator Sierhuis.

Als gast brengt de Alkmaarder Paul Hergaarden – die zichzelf aankondigt als roadie van de Fruitcompagnie – een ter plekke geschreven gedicht. Het is een sprekende tekst die afdaalt in het zieleleven waaruit de recensent de conclusie “haar aanwezigheid sneed me af van mijn eigen ik” meent te moeten destilleren. Hergaarden toont zich hier persoonlijk kwetsbaar. Hierna treedt Fruitcompagnie uit Alkmaar op met “muziek en poëzie”. Zang en tekst door Sjoerd van Berkel en Felix Hogeboom – muziek en gitaarspel van Jelle Bouwhuis. In een muzikaal blokje van ongeveer een kwartier worden zeven nummers op enthousiaste wijze gebracht. Na het muzikale intermezzo is het tijd voor de poëzie van Martha Schaap, afkomstig uit de buurt. Zij heeft de dag van de cultuur bij Fluxus en de muziekschool als aanleiding tot het schrijven van gedichten gekozen. Er volgt een wervende tekst waarin de idealen die aan de basis staan van de kunstzinnige vorming worden geroemd. De dichteres heeft zich ingeleefd in het thema en heeft haar gevoel laten spreken. Dan is er natuurromantiek met expliciete beelden die meer benoemen dan suggereren. Teksten over ouderworden en vrouwzijn ontwapenen door openhartigheid. Een gedicht over “een tantezegger die van de flat sprong” wekt respectvolle stilte bij het publiek. “Donker gaat de ruimte, zonder pijn laat het lichaam los”. Verwerking van leed kan een aanleiding zijn om te gaan schrijven, waarbij voordracht soms een helende werking heeft. De intimiteit van een kleinschalige culturele bijeenkomst biedt een veilig podium.

Dan is de dichter Jacob Passander – bekend van de Dovemansoren-dichtersavonden in de Groote Weiver – aan de beurt. Hij brengt “Mijn oogst”, zes gedichten die recent werden geschreven. Jacob spreekt van twee vrouwen die hem in het afgelopen jaar hebben beïnvloed, waardoor zijn bewustzijn is veranderd en de kunstenaar in hem is opgestaan. Ook het begraven van zijn vader in diezelfde tijd, is belangrijk voor hem geweest. De emoties bij de levensgebeurtenissen slaan neer in poëzie. De gedichten verhalen van dwalen, van heimwee en hartenzeer, blaren van het leven die zijn doorgeprikt, het opgaan in alles en weer teruggaan naar huis, waarbij de zee met het zout van eigen tranen wordt gekust. De dichter zoekt naar nieuwe zingeving. “Handen op de tast, alles moet mij verlaten opdat iets nieuws kan ontstaan – ogen die juist omdat ze genieten mogen hebben gehuild, gezien, nooit zoveel gehuild, nooit zo gelukkig geweest als in het afgelopen jaar – als het echt zou moeten dan kus ik de bodem onder mijn voeten”.

Na de dichterlijke ontboezeming van Jacob volgt een muzikaal intermezzo van de Fruitcompagnie. Als eerste klinkt het hilarische nummer “Mijn benen zijn het spoor bijster” waarbij dichter-zanger Felix Hogeboom de nodige capriolen uithaalt. Vervolgens brengt Sjoerd van Berkel de timide melancholie die is verweven met de tekst “Nu is het voorbij”. Gitarist Jelle Bouwhuis zorgt voor vindingrijke omspelingen ter begeleiding van de dichterlijke zang, die soms op parlandowijze wordt gebracht, een aanpak die het midden houdt tussen zang en voordracht waarmee de Fruitcompagnie zich sinds 1992 onderscheidt. Na het “flinterdunne” light-verse-nummer “Mariet” volgt het ritmische, puntig-gezongen “Zeemanslied” dat het publiek amuseert door de geestige inhoud. Er volgt een enthousiast applaus, voor sommigen was het eigenzinnige spel van de Fruitcompagnie wellicht een verrassing.

Als laatste dichteres treedt Rina op. Zij brengt persoonlijke teksten op welluidend rijm. Ook hier familiedrama want een gedicht gaat over een kleinzoon zonder opa: “Zag haar in dunne zwarte jas, de bomen om haar heen, de zon die scheen en alles leek goed zoals het was … een bal, ontroerend kinderspel, … dronk met haar ogen van het liefelijk tafereel, … kleinzoon, acht jaar oud en al zo groot, had jij daar maar gespeeld met hem, niet ik in mijn jas zo zwart”. Het gehoor, verzameld in de bescheiden benedenruimte van het wijkhuis geeft een gepast applaus. Ter muzikale afsluiting treedt Hans Netsch op met accordeon, een goedmoedige oudere heer die graag zijn levensgevoel met het publiek wil delen. Netsch heeft het over een volksdansfestival in Schagen met grijze hoofden en overgevlogen Russen en merkt op dat het jammer is dat de jeugd een dergelijk initiatief niet voortzet. Bij het inzetten van een zeemanswals wordt de dichterlijke snaar geraakt: “Als de wind weer gaat waaien over de Zaan, over de Zaan, over mijn rivier de Zaan, als de wind weer gaat waaien over de Zaan, dan zie je de golven over de kade slaan”. Vervolgens wordt het volkswijsje “Een karretje dat over de zandweg reed” tot klinken gebracht waarbij de accordeonist enthousiast opmerkt dit lied altijd met kinderen te hebben gezongen en dat de tekst afkomstig is van de dichter J.P. Heije. Ter onderstreping van het lokale karakter van de bijeenkomst wordt de telloorgang van het Zaanse dialect ook nog even aangestipt. Hans Netsch besluit in stijl met “Ik wens u wel thuis, m’n vrind”.

Ieder verwacht dat presentator Kees-Jan Sierhuis het Kunstcafé zal afsluiten en het publiek zal wegzenden, maar deze neemt de gelegenheid te baat om zich in de rol van stadsdichter van Zaanstad nog even te laten horen door het op vlotte wijze debiteren van een greep uit zijn dichterlijk oeuvre, welbekend bij degenen onder het publiek die Sierhuis al langer volgen. Het gaat daarbij vaak om barokke metaforen met een beschouwelijke inslag waarbij tevens melancholieke observatie en ironie te bespeuren zijn. Soms lijkt er een hermetisch, surrealistisch taalbouwwerk te ontstaan. Het is niet verwonderlijk dat de stadsdichter een liefhebber is van de poëzie van Lucebert. Sierhuis dicht “Liefde is mijn herder, wie de dood zoekt – toeval, wie veel zegt schiet ook weleens raak, zoek niet verder – ook Nederland verliest zijn identiteit, dat kun je op je klompen aanvoelen”. Orakelende poëzie die op speels-rebelse wijze de redeneerlogica van de toehoorders ontregelt.

Een dichter hoort een luis in de pels te zijn die zoals elke kunstenaar de alledaagse werkelijkheid kantelt door de eigen visie en benadering ervan. De stadsdichter pakt flink uit in zijn romantisch verzet tegen de banaliteit van het leven en spreekt over het mediaoog dat tegen het kwantumbehang ejaculeert. Is hier een relatie met onze informatiemaartschappij, waarbij videostreams in eindeloze opeenvolging van beelden ontspringen aan de cloud die is verweven met het internet? Het eerste kunstcafé in Het BrandtWeer kan geslaagd worden genoemd en is zeker voor herhaling vatbaar. Om het avontuur levend te houden kan het podium niet breed en laagdrempelig genoeg zijn om aan dichters en muzikanten met verschillende achtergrond en reikwijdte een plaats te bieden. Ook jongeren zouden bij het initiatief kunnen worden betrokken. De Zaanse stadsdichter of dichterskring kunnen hierbij wellicht een rol spelen.

Felix Hogeboom